weegschaal.net
Kennisbank

BMI berekenen

Je BMI is je gewicht in kilogram gedeeld door je lengte in meter in het kwadraat: 78 kilo bij 1,80 meter geeft 78 / (1,80 × 1,80) = 24,1. Dat getal plaatst je in een bevolkingsstatistiek en zegt niets over de samenstelling van jouw lichaam, dus behandel het als een grove eerste indicatie en niet als een oordeel.

De formule stap voor stap

  1. Weeg jezelf onder vaste omstandigheden. Zie wanneer je het beste weegt: 's ochtends, na het toilet, voor het ontbijt.
  2. Meet je lengte zonder schoenen, met je hielen tegen de muur en je hoofd recht. Leg een boek plat op je kruin en zet een streepje.
  3. Reken je lengte om naar meters met twee decimalen, bijvoorbeeld 1,74.
  4. Vermenigvuldig die lengte met zichzelf: 1,74 × 1,74 = 3,03.
  5. Deel je gewicht door die uitkomst: 68 / 3,03 = 22,4.

Rond af op één decimaal. Meer precisie heeft geen zin: één centimeter fout in je lengte verschuift je BMI al met ongeveer 0,3 punt, en je gewicht verschilt binnen een dag makkelijk een kilo door normale gewichtsschommelingen.

De grenswaarden

BMICategorie volgens de WHOOpmerking
onder 18,5OndergewichtKan ook horen bij een kleine bouw of veel beweging
18,5 tot 25Gezond gewichtBrede band; onder- en bovenkant verschillen sterk
25 tot 30OvergewichtVeel krachtsporters vallen hier zonder overtollig vet
30 tot 35Obesitas klasse IVanaf hier vaker gecombineerd met buikomtrek beoordeeld
35 tot 40Obesitas klasse II
40 en hogerObesitas klasse IIIWeeg je boven 150 kg, dan heb je een zwaarder platform nodig

Deze grenzen komen uit onderzoek naar ziekterisico op bevolkingsniveau. Ze beschrijven wat er gemiddeld gebeurt in grote groepen, niet wat er met jou gebeurt. Iemand met een BMI van 26 kan gezonder zijn dan iemand met een BMI van 23; het getal weet dat niet.

Waar BMI tekortschiet

  • Spiermassa. De formule ziet alleen gewicht. Spier is bij gelijk volume ongeveer 15 procent zwaarder dan vet, dus een gespierd iemand komt hoog uit. Wil je onderscheid maken, dan heb je een schatting van je vetpercentage nodig.
  • Leeftijd. Vanaf ongeveer 70 jaar hangt een iets hogere BMI samen met betere uitkomsten, onder meer omdat ouderen spiermassa verliezen. Sommige richtlijnen verschuiven de gezonde band daarom naar 22 tot 28.
  • Etniciteit. Bij mensen van Zuid-Aziatische afkomst treedt verhoogd risico gemiddeld al op bij een lagere BMI; verschillende landen hanteren daar 23 in plaats van 25 als grens.
  • Kinderen en jongeren. Voor hen gelden geen vaste grenzen maar leeftijd- en geslachtsspecifieke groeicurves. Reken de volwassen tabel nooit toe aan een kind; de jeugdarts of huisarts gebruikt de juiste curve.
  • Zwangerschap. Tijdens de zwangerschap is BMI niet zinvol. Je verloskundige volgt de gewichtstoename ten opzichte van je uitgangsgewicht.
  • Vetverdeling. Twee mensen met dezelfde BMI kunnen een heel andere hoeveelheid buikvet hebben, en juist dat vet rond de organen hangt samen met risico.

Twee maten die er wel bij horen

De buikomtrek meet je staand, aan het einde van een normale uitademing, halverwege de onderste rib en de bovenkant van je bekkenkam. Bij mannen wordt boven de 102 centimeter gesproken van een sterk verhoogde omtrek, bij vrouwen boven de 88 centimeter. De middel-lengteratio is nog eenvoudiger: deel je buikomtrek door je lengte in dezelfde eenheid. Blijft de uitkomst onder 0,5, dan is dat volgens de meeste richtlijnen gunstig — vandaar de vuistregel dat je middel minder dan de helft van je lengte meet.

Beide maten kosten je een meetlint en tien seconden, en ze vangen precies wat BMI mist: waar het vet zit. In de spreekkamer worden ze daarom vaak naast elkaar gebruikt, niet in plaats van elkaar.

Wat je weegschaal hierin doet

Veel personenweegschalen tonen zelf een BMI zodra je je lengte in het profiel hebt gezet. Dat is precies dezelfde deling die je hierboven met de hand maakt — er komt geen extra meting aan te pas. De enige winst is dat het getal automatisch meeloopt in je grafiek. Ook slimme modellen met lichaamsanalyse rekenen BMI op deze manier uit, ongeacht wat hun sensoren verder doen. Zoek je op basis hiervan een weegschaal, begin dan bij weegschaal kopen en laat de BMI-functie geen doorslaggevend argument zijn; hem zelf uitrekenen kost twee tellen. Wat de andere waarden op zo'n display wél op een meting baseren, lees je verder in de kennisbank.

Veelgestelde vragen

Hoe bereken ik mijn BMI zelf?

Deel je gewicht in kilogram door je lengte in meter in het kwadraat. Weeg je 78 kilo en ben je 1,80 meter, dan reken je 78 gedeeld door 3,24 en kom je uit op 24,1. Meet je lengte zonder schoenen tegen een muur.

Vanaf welke BMI spreek je van overgewicht?

Bij volwassenen hanteert de Wereldgezondheidsorganisatie 25 als ondergrens voor overgewicht en 30 voor obesitas. Die grenzen zijn afgeleid uit bevolkingsstatistiek en zeggen niets over jouw individuele gezondheid; alleen een arts kan dat beoordelen.

Klopt BMI bij gespierde mensen?

Nee. De formule kent alleen gewicht en lengte en ziet geen verschil tussen spier en vet. Spierweefsel is bij gelijk volume ongeveer 15 procent zwaarder dan vet, waardoor krachtsporters vaak boven de 25 uitkomen zonder overtollig vet.

Is buikomtrek een betere maat dan BMI?

Voor het inschatten van buikvet wel. Buikomtrek en de middel-lengteratio zeggen meer over vet rond de organen dan BMI, en je meet ze met een meetlint in tien seconden. In de spreekkamer worden ze vaak samen met BMI gebruikt.

Laatst herzien op 2026-07-29. Zie hoe we vergelijken.